FlexiVerb

Dutch Verb

preken

to preach · to sermonise, to lecture (to criticise verbally)

takes hebbenstrongregular

Infinitive

preken

Past Participle

prekend

Pres. Participle

prekend

Imperative

preek / preekt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikpreek
jijpreekt
hij/zij/hetpreekt
wijpreken
julliepreken
zijpreken

Verleden tijd

Simple Past

ikpreekte
jijpreekte
hij/zij/hetpreekte
wijpreekten
julliepreekten
zijpreekten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb prekend
jijhebt prekend
hij/zij/hetheeft prekend
wijhebben prekend
julliehebben prekend
zijhebben prekend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad prekend
jijhad prekend
hij/zij/hethad prekend
wijhadden prekend
julliehadden prekend
zijhadden prekend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal preken
jijzal preken
hij/zij/hetzal preken
wijzullen preken
julliezullen preken
zijzullen preken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal prekend hebben
jijzal prekend hebben
hij/zij/hetzal prekend hebben
wijzullen prekend hebben
julliezullen prekend hebben
zijzullen prekend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou preken
jijzou preken
hij/zij/hetzou preken
wijzouden preken
julliezouden preken
zijzouden preken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou prekend hebben
jijzou prekend hebben
hij/zij/hetzou prekend hebben
wijzouden prekend hebben
julliezouden prekend hebben
zijzouden prekend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het preken
jijbent aan het preken
hij/zij/hetis aan het preken
wijzijn aan het preken
julliezijn aan het preken
zijzijn aan het preken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het preken
jijwas aan het preken
hij/zij/hetwas aan het preken
wijwaren aan het preken
julliewaren aan het preken
zijwaren aan het preken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikprek
jijprek
hij/zij/hetprek
wijprek
jullieprek
zijprek

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0