FlexiVerb

Dutch Verb

pretenderen

to pretend

takes hebbenstrongregular

Infinitive

pretenderen

Past Participle

pretenderend

Pres. Participle

pretenderend

Imperative

pretendeer / pretendeert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikpretendeer
jijpretendeert
hij/zij/hetpretendeert
wijpretenderen
julliepretenderen
zijpretenderen

Verleden tijd

Simple Past

ikpretendeerde
jijpretendeerde
hij/zij/hetpretendeerde
wijpretendeerden
julliepretendeerden
zijpretendeerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb pretenderend
jijhebt pretenderend
hij/zij/hetheeft pretenderend
wijhebben pretenderend
julliehebben pretenderend
zijhebben pretenderend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad pretenderend
jijhad pretenderend
hij/zij/hethad pretenderend
wijhadden pretenderend
julliehadden pretenderend
zijhadden pretenderend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal pretenderen
jijzal pretenderen
hij/zij/hetzal pretenderen
wijzullen pretenderen
julliezullen pretenderen
zijzullen pretenderen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal pretenderend hebben
jijzal pretenderend hebben
hij/zij/hetzal pretenderend hebben
wijzullen pretenderend hebben
julliezullen pretenderend hebben
zijzullen pretenderend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou pretenderen
jijzou pretenderen
hij/zij/hetzou pretenderen
wijzouden pretenderen
julliezouden pretenderen
zijzouden pretenderen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou pretenderend hebben
jijzou pretenderend hebben
hij/zij/hetzou pretenderend hebben
wijzouden pretenderend hebben
julliezouden pretenderend hebben
zijzouden pretenderend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het pretenderen
jijbent aan het pretenderen
hij/zij/hetis aan het pretenderen
wijzijn aan het pretenderen
julliezijn aan het pretenderen
zijzijn aan het pretenderen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het pretenderen
jijwas aan het pretenderen
hij/zij/hetwas aan het pretenderen
wijwaren aan het pretenderen
julliewaren aan het pretenderen
zijwaren aan het pretenderen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikpretender
jijpretender
hij/zij/hetpretender
wijpretender
julliepretender
zijpretender

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0