Dutch Verb
prikken
to sting, to prick · to poke · to perforate · to give an injection
takes hebbenstrongregular
Infinitive
prikken
Past Participle
prikkend
Pres. Participle
prikkend
Imperative
prik / prikt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikprik
jijprikt
hij/zij/hetprikt
wijprikken
jullieprikken
zijprikken
Verleden tijd
Simple Past
ikprikte
jijprikte
hij/zij/hetprikte
wijprikten
jullieprikten
zijprikten
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb prikkend
jijhebt prikkend
hij/zij/hetheeft prikkend
wijhebben prikkend
julliehebben prikkend
zijhebben prikkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad prikkend
jijhad prikkend
hij/zij/hethad prikkend
wijhadden prikkend
julliehadden prikkend
zijhadden prikkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal prikken
jijzal prikken
hij/zij/hetzal prikken
wijzullen prikken
julliezullen prikken
zijzullen prikken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal prikkend hebben
jijzal prikkend hebben
hij/zij/hetzal prikkend hebben
wijzullen prikkend hebben
julliezullen prikkend hebben
zijzullen prikkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou prikken
jijzou prikken
hij/zij/hetzou prikken
wijzouden prikken
julliezouden prikken
zijzouden prikken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou prikkend hebben
jijzou prikkend hebben
hij/zij/hetzou prikkend hebben
wijzouden prikkend hebben
julliezouden prikkend hebben
zijzouden prikkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het prikken
jijbent aan het prikken
hij/zij/hetis aan het prikken
wijzijn aan het prikken
julliezijn aan het prikken
zijzijn aan het prikken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het prikken
jijwas aan het prikken
hij/zij/hetwas aan het prikken
wijwaren aan het prikken
julliewaren aan het prikken
zijwaren aan het prikken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikprikk
jijprikk
hij/zij/hetprikk
wijprikk
jullieprikk
zijprikk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0