Dutch Verb
produceren
to produce (bring forth) · to produce (music or film)
takes hebbenstrongregular
Infinitive
produceren
Past Participle
producerend
Pres. Participle
producerend
Imperative
produceer / produceert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikproduceer
jijproduceert
hij/zij/hetproduceert
wijproduceren
jullieproduceren
zijproduceren
Verleden tijd
Simple Past
ikproduceerde
jijproduceerde
hij/zij/hetproduceerde
wijproduceerden
jullieproduceerden
zijproduceerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb producerend
jijhebt producerend
hij/zij/hetheeft producerend
wijhebben producerend
julliehebben producerend
zijhebben producerend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad producerend
jijhad producerend
hij/zij/hethad producerend
wijhadden producerend
julliehadden producerend
zijhadden producerend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal produceren
jijzal produceren
hij/zij/hetzal produceren
wijzullen produceren
julliezullen produceren
zijzullen produceren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal producerend hebben
jijzal producerend hebben
hij/zij/hetzal producerend hebben
wijzullen producerend hebben
julliezullen producerend hebben
zijzullen producerend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou produceren
jijzou produceren
hij/zij/hetzou produceren
wijzouden produceren
julliezouden produceren
zijzouden produceren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou producerend hebben
jijzou producerend hebben
hij/zij/hetzou producerend hebben
wijzouden producerend hebben
julliezouden producerend hebben
zijzouden producerend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het produceren
jijbent aan het produceren
hij/zij/hetis aan het produceren
wijzijn aan het produceren
julliezijn aan het produceren
zijzijn aan het produceren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het produceren
jijwas aan het produceren
hij/zij/hetwas aan het produceren
wijwaren aan het produceren
julliewaren aan het produceren
zijwaren aan het produceren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikproducer
jijproducer
hij/zij/hetproducer
wijproducer
jullieproducer
zijproducer
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0