FlexiVerb

Dutch Verb

rammen

to ram, to intentionally collide with (a ship or car or building) with the intention of damaging or sinking it · to strike (something) hard

takes hebbenstrongregular

Infinitive

rammen

Past Participle

rammend

Pres. Participle

rammend

Imperative

ram / ramt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikram
jijramt
hij/zij/hetramt
wijrammen
jullierammen
zijrammen

Verleden tijd

Simple Past

ikramde
jijramde
hij/zij/hetramde
wijramden
jullieramden
zijramden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb rammend
jijhebt rammend
hij/zij/hetheeft rammend
wijhebben rammend
julliehebben rammend
zijhebben rammend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad rammend
jijhad rammend
hij/zij/hethad rammend
wijhadden rammend
julliehadden rammend
zijhadden rammend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal rammen
jijzal rammen
hij/zij/hetzal rammen
wijzullen rammen
julliezullen rammen
zijzullen rammen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal rammend hebben
jijzal rammend hebben
hij/zij/hetzal rammend hebben
wijzullen rammend hebben
julliezullen rammend hebben
zijzullen rammend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou rammen
jijzou rammen
hij/zij/hetzou rammen
wijzouden rammen
julliezouden rammen
zijzouden rammen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou rammend hebben
jijzou rammend hebben
hij/zij/hetzou rammend hebben
wijzouden rammend hebben
julliezouden rammend hebben
zijzouden rammend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het rammen
jijbent aan het rammen
hij/zij/hetis aan het rammen
wijzijn aan het rammen
julliezijn aan het rammen
zijzijn aan het rammen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het rammen
jijwas aan het rammen
hij/zij/hetwas aan het rammen
wijwaren aan het rammen
julliewaren aan het rammen
zijwaren aan het rammen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikramm
jijramm
hij/zij/hetramm
wijramm
jullieramm
zijramm

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0