FlexiVerb

Dutch Verb

ridderen

to knight: · to dub someone a knight · to knight: · to confer a knighthood (membership of an order) upon

takes hebbenstrongregular

Infinitive

ridderen

Past Participle

ridderend

Pres. Participle

ridderend

Imperative

ridder / riddert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikridder
jijriddert
hij/zij/hetriddert
wijridderen
jullieridderen
zijridderen

Verleden tijd

Simple Past

ikridderde
jijridderde
hij/zij/hetridderde
wijridderden
jullieridderden
zijridderden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb ridderend
jijhebt ridderend
hij/zij/hetheeft ridderend
wijhebben ridderend
julliehebben ridderend
zijhebben ridderend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad ridderend
jijhad ridderend
hij/zij/hethad ridderend
wijhadden ridderend
julliehadden ridderend
zijhadden ridderend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal ridderen
jijzal ridderen
hij/zij/hetzal ridderen
wijzullen ridderen
julliezullen ridderen
zijzullen ridderen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal ridderend hebben
jijzal ridderend hebben
hij/zij/hetzal ridderend hebben
wijzullen ridderend hebben
julliezullen ridderend hebben
zijzullen ridderend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou ridderen
jijzou ridderen
hij/zij/hetzou ridderen
wijzouden ridderen
julliezouden ridderen
zijzouden ridderen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou ridderend hebben
jijzou ridderend hebben
hij/zij/hetzou ridderend hebben
wijzouden ridderend hebben
julliezouden ridderend hebben
zijzouden ridderend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het ridderen
jijbent aan het ridderen
hij/zij/hetis aan het ridderen
wijzijn aan het ridderen
julliezijn aan het ridderen
zijzijn aan het ridderen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het ridderen
jijwas aan het ridderen
hij/zij/hetwas aan het ridderen
wijwaren aan het ridderen
julliewaren aan het ridderen
zijwaren aan het ridderen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikridder
jijridder
hij/zij/hetridder
wijridder
jullieridder
zijridder

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0