FlexiVerb

Dutch Verb

rouwen

to mourn, to grieve

takes hebbenstrongregular

Infinitive

rouwen

Past Participle

rouwend

Pres. Participle

rouwend

Imperative

rouw / rouwt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikrouw
jijrouwt
hij/zij/hetrouwt
wijrouwen
jullierouwen
zijrouwen

Verleden tijd

Simple Past

ikrouwde
jijrouwde
hij/zij/hetrouwde
wijrouwden
jullierouwden
zijrouwden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb rouwend
jijhebt rouwend
hij/zij/hetheeft rouwend
wijhebben rouwend
julliehebben rouwend
zijhebben rouwend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad rouwend
jijhad rouwend
hij/zij/hethad rouwend
wijhadden rouwend
julliehadden rouwend
zijhadden rouwend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal rouwen
jijzal rouwen
hij/zij/hetzal rouwen
wijzullen rouwen
julliezullen rouwen
zijzullen rouwen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal rouwend hebben
jijzal rouwend hebben
hij/zij/hetzal rouwend hebben
wijzullen rouwend hebben
julliezullen rouwend hebben
zijzullen rouwend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou rouwen
jijzou rouwen
hij/zij/hetzou rouwen
wijzouden rouwen
julliezouden rouwen
zijzouden rouwen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou rouwend hebben
jijzou rouwend hebben
hij/zij/hetzou rouwend hebben
wijzouden rouwend hebben
julliezouden rouwend hebben
zijzouden rouwend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het rouwen
jijbent aan het rouwen
hij/zij/hetis aan het rouwen
wijzijn aan het rouwen
julliezijn aan het rouwen
zijzijn aan het rouwen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het rouwen
jijwas aan het rouwen
hij/zij/hetwas aan het rouwen
wijwaren aan het rouwen
julliewaren aan het rouwen
zijwaren aan het rouwen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikrouw
jijrouw
hij/zij/hetrouw
wijrouw
jullierouw
zijrouw

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0