FlexiVerb

Dutch Verb

schapen

alternative form of scheppen

takes hebbenstrongregular

Infinitive

schapen

Past Participle

schapend

Pres. Participle

schapend

Imperative

schaap / schaapt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikschaap
jijschaapt
hij/zij/hetschaapt
wijschapen
jullieschapen
zijschapen

Verleden tijd

Simple Past

ikschiep
jijschiep
hij/zij/hetschiep
wijschiepen
jullieschiepen
zijschiepen

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb schapend
jijhebt schapend
hij/zij/hetheeft schapend
wijhebben schapend
julliehebben schapend
zijhebben schapend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad schapend
jijhad schapend
hij/zij/hethad schapend
wijhadden schapend
julliehadden schapend
zijhadden schapend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal schapen
jijzal schapen
hij/zij/hetzal schapen
wijzullen schapen
julliezullen schapen
zijzullen schapen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal schapend hebben
jijzal schapend hebben
hij/zij/hetzal schapend hebben
wijzullen schapend hebben
julliezullen schapend hebben
zijzullen schapend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou schapen
jijzou schapen
hij/zij/hetzou schapen
wijzouden schapen
julliezouden schapen
zijzouden schapen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou schapend hebben
jijzou schapend hebben
hij/zij/hetzou schapend hebben
wijzouden schapend hebben
julliezouden schapend hebben
zijzouden schapend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het schapen
jijbent aan het schapen
hij/zij/hetis aan het schapen
wijzijn aan het schapen
julliezijn aan het schapen
zijzijn aan het schapen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het schapen
jijwas aan het schapen
hij/zij/hetwas aan het schapen
wijwaren aan het schapen
julliewaren aan het schapen
zijwaren aan het schapen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikschap
jijschap
hij/zij/hetschap
wijschap
jullieschap
zijschap

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0