FlexiVerb

Dutch Verb

schommelen

to swing, to sway side to side · to oscillate, fluctuate

takes hebbenstrongregular

Infinitive

schommelen

Past Participle

schommelend

Pres. Participle

schommelend

Imperative

schommel / schommelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikschommel
jijschommelt
hij/zij/hetschommelt
wijschommelen
jullieschommelen
zijschommelen

Verleden tijd

Simple Past

ikschommelde
jijschommelde
hij/zij/hetschommelde
wijschommelden
jullieschommelden
zijschommelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb schommelend
jijhebt schommelend
hij/zij/hetheeft schommelend
wijhebben schommelend
julliehebben schommelend
zijhebben schommelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad schommelend
jijhad schommelend
hij/zij/hethad schommelend
wijhadden schommelend
julliehadden schommelend
zijhadden schommelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal schommelen
jijzal schommelen
hij/zij/hetzal schommelen
wijzullen schommelen
julliezullen schommelen
zijzullen schommelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal schommelend hebben
jijzal schommelend hebben
hij/zij/hetzal schommelend hebben
wijzullen schommelend hebben
julliezullen schommelend hebben
zijzullen schommelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou schommelen
jijzou schommelen
hij/zij/hetzou schommelen
wijzouden schommelen
julliezouden schommelen
zijzouden schommelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou schommelend hebben
jijzou schommelend hebben
hij/zij/hetzou schommelend hebben
wijzouden schommelend hebben
julliezouden schommelend hebben
zijzouden schommelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het schommelen
jijbent aan het schommelen
hij/zij/hetis aan het schommelen
wijzijn aan het schommelen
julliezijn aan het schommelen
zijzijn aan het schommelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het schommelen
jijwas aan het schommelen
hij/zij/hetwas aan het schommelen
wijwaren aan het schommelen
julliewaren aan het schommelen
zijwaren aan het schommelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikschommel
jijschommel
hij/zij/hetschommel
wijschommel
jullieschommel
zijschommel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0