Dutch Verb
sjorren
to drag
takes hebbenstrongregular
Infinitive
sjorren
Past Participle
sjorrend
Pres. Participle
sjorrend
Imperative
sjor / sjort
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
iksjor
jijsjort
hij/zij/hetsjort
wijsjorren
julliesjorren
zijsjorren
Verleden tijd
Simple Past
iksjorde
jijsjorde
hij/zij/hetsjorde
wijsjorden
julliesjorden
zijsjorden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb sjorrend
jijhebt sjorrend
hij/zij/hetheeft sjorrend
wijhebben sjorrend
julliehebben sjorrend
zijhebben sjorrend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad sjorrend
jijhad sjorrend
hij/zij/hethad sjorrend
wijhadden sjorrend
julliehadden sjorrend
zijhadden sjorrend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal sjorren
jijzal sjorren
hij/zij/hetzal sjorren
wijzullen sjorren
julliezullen sjorren
zijzullen sjorren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal sjorrend hebben
jijzal sjorrend hebben
hij/zij/hetzal sjorrend hebben
wijzullen sjorrend hebben
julliezullen sjorrend hebben
zijzullen sjorrend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou sjorren
jijzou sjorren
hij/zij/hetzou sjorren
wijzouden sjorren
julliezouden sjorren
zijzouden sjorren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou sjorrend hebben
jijzou sjorrend hebben
hij/zij/hetzou sjorrend hebben
wijzouden sjorrend hebben
julliezouden sjorrend hebben
zijzouden sjorrend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het sjorren
jijbent aan het sjorren
hij/zij/hetis aan het sjorren
wijzijn aan het sjorren
julliezijn aan het sjorren
zijzijn aan het sjorren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het sjorren
jijwas aan het sjorren
hij/zij/hetwas aan het sjorren
wijwaren aan het sjorren
julliewaren aan het sjorren
zijwaren aan het sjorren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyiksjorr
jijsjorr
hij/zij/hetsjorr
wijsjorr
julliesjorr
zijsjorr
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0