FlexiVerb

Dutch Verb

smokkelen

to smuggle, to transport contraband · to cut corners, to use a shortcut

takes hebbenstrongregular

Infinitive

smokkelen

Past Participle

smokkelend

Pres. Participle

smokkelend

Imperative

smokkel / smokkelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iksmokkel
jijsmokkelt
hij/zij/hetsmokkelt
wijsmokkelen
julliesmokkelen
zijsmokkelen

Verleden tijd

Simple Past

iksmokkelde
jijsmokkelde
hij/zij/hetsmokkelde
wijsmokkelden
julliesmokkelden
zijsmokkelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb smokkelend
jijhebt smokkelend
hij/zij/hetheeft smokkelend
wijhebben smokkelend
julliehebben smokkelend
zijhebben smokkelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad smokkelend
jijhad smokkelend
hij/zij/hethad smokkelend
wijhadden smokkelend
julliehadden smokkelend
zijhadden smokkelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal smokkelen
jijzal smokkelen
hij/zij/hetzal smokkelen
wijzullen smokkelen
julliezullen smokkelen
zijzullen smokkelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal smokkelend hebben
jijzal smokkelend hebben
hij/zij/hetzal smokkelend hebben
wijzullen smokkelend hebben
julliezullen smokkelend hebben
zijzullen smokkelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou smokkelen
jijzou smokkelen
hij/zij/hetzou smokkelen
wijzouden smokkelen
julliezouden smokkelen
zijzouden smokkelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou smokkelend hebben
jijzou smokkelend hebben
hij/zij/hetzou smokkelend hebben
wijzouden smokkelend hebben
julliezouden smokkelend hebben
zijzouden smokkelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het smokkelen
jijbent aan het smokkelen
hij/zij/hetis aan het smokkelen
wijzijn aan het smokkelen
julliezijn aan het smokkelen
zijzijn aan het smokkelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het smokkelen
jijwas aan het smokkelen
hij/zij/hetwas aan het smokkelen
wijwaren aan het smokkelen
julliewaren aan het smokkelen
zijwaren aan het smokkelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
iksmokkel
jijsmokkel
hij/zij/hetsmokkel
wijsmokkel
julliesmokkel
zijsmokkel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0