FlexiVerb

Dutch Verb

sneeuwen

to snow

takes hebbenstrongregular

Infinitive

sneeuwen

Past Participle

sneeuwend

Pres. Participle

sneeuwend

Imperative

sneeuw / sneeuwt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iksneeuw
jijsneeuwt
hij/zij/hetsneeuwt
wijsneeuwen
julliesneeuwen
zijsneeuwen

Verleden tijd

Simple Past

iksneeuwde
jijsneeuwde
hij/zij/hetsneeuwde
wijsneeuwden
julliesneeuwden
zijsneeuwden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb sneeuwend
jijhebt sneeuwend
hij/zij/hetheeft sneeuwend
wijhebben sneeuwend
julliehebben sneeuwend
zijhebben sneeuwend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad sneeuwend
jijhad sneeuwend
hij/zij/hethad sneeuwend
wijhadden sneeuwend
julliehadden sneeuwend
zijhadden sneeuwend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal sneeuwen
jijzal sneeuwen
hij/zij/hetzal sneeuwen
wijzullen sneeuwen
julliezullen sneeuwen
zijzullen sneeuwen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal sneeuwend hebben
jijzal sneeuwend hebben
hij/zij/hetzal sneeuwend hebben
wijzullen sneeuwend hebben
julliezullen sneeuwend hebben
zijzullen sneeuwend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou sneeuwen
jijzou sneeuwen
hij/zij/hetzou sneeuwen
wijzouden sneeuwen
julliezouden sneeuwen
zijzouden sneeuwen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou sneeuwend hebben
jijzou sneeuwend hebben
hij/zij/hetzou sneeuwend hebben
wijzouden sneeuwend hebben
julliezouden sneeuwend hebben
zijzouden sneeuwend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het sneeuwen
jijbent aan het sneeuwen
hij/zij/hetis aan het sneeuwen
wijzijn aan het sneeuwen
julliezijn aan het sneeuwen
zijzijn aan het sneeuwen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het sneeuwen
jijwas aan het sneeuwen
hij/zij/hetwas aan het sneeuwen
wijwaren aan het sneeuwen
julliewaren aan het sneeuwen
zijwaren aan het sneeuwen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
iksneeuw
jijsneeuw
hij/zij/hetsneeuw
wijsneeuw
julliesneeuw
zijsneeuw

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0