FlexiVerb

Dutch Verb

sparren

to spar, to have a practice fight · to brainstorm, to exchange thoughts

takes hebbenstrongregular

Infinitive

sparren

Past Participle

sparrend

Pres. Participle

sparrend

Imperative

spar / spart

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikspar
jijspart
hij/zij/hetspart
wijsparren
julliesparren
zijsparren

Verleden tijd

Simple Past

iksparde
jijsparde
hij/zij/hetsparde
wijsparden
julliesparden
zijsparden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb sparrend
jijhebt sparrend
hij/zij/hetheeft sparrend
wijhebben sparrend
julliehebben sparrend
zijhebben sparrend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad sparrend
jijhad sparrend
hij/zij/hethad sparrend
wijhadden sparrend
julliehadden sparrend
zijhadden sparrend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal sparren
jijzal sparren
hij/zij/hetzal sparren
wijzullen sparren
julliezullen sparren
zijzullen sparren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal sparrend hebben
jijzal sparrend hebben
hij/zij/hetzal sparrend hebben
wijzullen sparrend hebben
julliezullen sparrend hebben
zijzullen sparrend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou sparren
jijzou sparren
hij/zij/hetzou sparren
wijzouden sparren
julliezouden sparren
zijzouden sparren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou sparrend hebben
jijzou sparrend hebben
hij/zij/hetzou sparrend hebben
wijzouden sparrend hebben
julliezouden sparrend hebben
zijzouden sparrend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het sparren
jijbent aan het sparren
hij/zij/hetis aan het sparren
wijzijn aan het sparren
julliezijn aan het sparren
zijzijn aan het sparren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het sparren
jijwas aan het sparren
hij/zij/hetwas aan het sparren
wijwaren aan het sparren
julliewaren aan het sparren
zijwaren aan het sparren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
iksparr
jijsparr
hij/zij/hetsparr
wijsparr
julliesparr
zijsparr

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0