FlexiVerb

Dutch Verb

stapelen

to pile, to stack · to complete multiple tracks/variants of education at the same educational level (i.e. at secondary or tertiary education)

takes hebbenstrongregular

Infinitive

stapelen

Past Participle

stapelend

Pres. Participle

stapelend

Imperative

stapel / stapelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikstapel
jijstapelt
hij/zij/hetstapelt
wijstapelen
julliestapelen
zijstapelen

Verleden tijd

Simple Past

ikstapelde
jijstapelde
hij/zij/hetstapelde
wijstapelden
julliestapelden
zijstapelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb stapelend
jijhebt stapelend
hij/zij/hetheeft stapelend
wijhebben stapelend
julliehebben stapelend
zijhebben stapelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad stapelend
jijhad stapelend
hij/zij/hethad stapelend
wijhadden stapelend
julliehadden stapelend
zijhadden stapelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal stapelen
jijzal stapelen
hij/zij/hetzal stapelen
wijzullen stapelen
julliezullen stapelen
zijzullen stapelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal stapelend hebben
jijzal stapelend hebben
hij/zij/hetzal stapelend hebben
wijzullen stapelend hebben
julliezullen stapelend hebben
zijzullen stapelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou stapelen
jijzou stapelen
hij/zij/hetzou stapelen
wijzouden stapelen
julliezouden stapelen
zijzouden stapelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou stapelend hebben
jijzou stapelend hebben
hij/zij/hetzou stapelend hebben
wijzouden stapelend hebben
julliezouden stapelend hebben
zijzouden stapelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het stapelen
jijbent aan het stapelen
hij/zij/hetis aan het stapelen
wijzijn aan het stapelen
julliezijn aan het stapelen
zijzijn aan het stapelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het stapelen
jijwas aan het stapelen
hij/zij/hetwas aan het stapelen
wijwaren aan het stapelen
julliewaren aan het stapelen
zijwaren aan het stapelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikstapel
jijstapel
hij/zij/hetstapel
wijstapel
julliestapel
zijstapel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0