FlexiVerb

Dutch Verb

steden

to place · to hold in place

takes hebbenstrongregular

Infinitive

steden

Past Participle

stedend

Pres. Participle

stedend

Imperative

steed / steedt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iksteed
jijsteedt
hij/zij/hetsteedt
wijsteden
julliesteden
zijsteden

Verleden tijd

Simple Past

iksteedde
jijsteedde
hij/zij/hetsteedde
wijsteedden
julliesteedden
zijsteedden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb stedend
jijhebt stedend
hij/zij/hetheeft stedend
wijhebben stedend
julliehebben stedend
zijhebben stedend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad stedend
jijhad stedend
hij/zij/hethad stedend
wijhadden stedend
julliehadden stedend
zijhadden stedend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal steden
jijzal steden
hij/zij/hetzal steden
wijzullen steden
julliezullen steden
zijzullen steden

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal stedend hebben
jijzal stedend hebben
hij/zij/hetzal stedend hebben
wijzullen stedend hebben
julliezullen stedend hebben
zijzullen stedend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou steden
jijzou steden
hij/zij/hetzou steden
wijzouden steden
julliezouden steden
zijzouden steden

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou stedend hebben
jijzou stedend hebben
hij/zij/hetzou stedend hebben
wijzouden stedend hebben
julliezouden stedend hebben
zijzouden stedend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het steden
jijbent aan het steden
hij/zij/hetis aan het steden
wijzijn aan het steden
julliezijn aan het steden
zijzijn aan het steden

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het steden
jijwas aan het steden
hij/zij/hetwas aan het steden
wijwaren aan het steden
julliewaren aan het steden
zijwaren aan het steden
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
iksted
jijsted
hij/zij/hetsted
wijsted
julliested
zijsted

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0