FlexiVerb

Dutch Verb

stijgen

to climb, to go up, to rise · to ascend

takes zijnstrongregular

Infinitive

stijgen

Past Participle

stijgend

Pres. Participle

stijgend

Imperative

stijg / stijgt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikstijg
jijstijgt
hij/zij/hetstijgt
wijstijgen
julliestijgen
zijstijgen

Verleden tijd

Simple Past

iksteeg
jijsteeg
hij/zij/hetsteeg
wijstegen
julliestegen
zijstegen

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

zijn (present) + past participle
ikben stijgend
jijbent stijgend
hij/zij/hetis stijgend
wijzijn stijgend
julliezijn stijgend
zijzijn stijgend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

zijn (past) + past participle
ikwas stijgend
jijwas stijgend
hij/zij/hetwas stijgend
wijwaren stijgend
julliewaren stijgend
zijwaren stijgend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal stijgen
jijzal stijgen
hij/zij/hetzal stijgen
wijzullen stijgen
julliezullen stijgen
zijzullen stijgen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + zijn
ikzal stijgend zijn
jijzal stijgend zijn
hij/zij/hetzal stijgend zijn
wijzullen stijgend zijn
julliezullen stijgend zijn
zijzullen stijgend zijn

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou stijgen
jijzou stijgen
hij/zij/hetzou stijgen
wijzouden stijgen
julliezouden stijgen
zijzouden stijgen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + zijn
ikzou stijgend zijn
jijzou stijgend zijn
hij/zij/hetzou stijgend zijn
wijzouden stijgend zijn
julliezouden stijgend zijn
zijzouden stijgend zijn

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het stijgen
jijbent aan het stijgen
hij/zij/hetis aan het stijgen
wijzijn aan het stijgen
julliezijn aan het stijgen
zijzijn aan het stijgen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het stijgen
jijwas aan het stijgen
hij/zij/hetwas aan het stijgen
wijwaren aan het stijgen
julliewaren aan het stijgen
zijwaren aan het stijgen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikstijg
jijstijg
hij/zij/hetstijg
wijstijg
julliestijg
zijstijg

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0