Dutch Verb
tegenvallen
to be worse than expected, to disappoint
takes hebbenstrongregular
Infinitive
tegenvallen
Past Participle
tegenvallend
Pres. Participle
tegenvallend
Imperative
val tegen / valt tegen
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikval tegen
jijvalt tegen
hij/zij/hetvalt tegen
wijvallen tegen
jullievallen tegen
zijvallen tegen
Verleden tijd
Simple Past
ikviel tegen
jijviel tegen
hij/zij/hetviel tegen
wijvielen tegen
jullievielen tegen
zijvielen tegen
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb tegenvallend
jijhebt tegenvallend
hij/zij/hetheeft tegenvallend
wijhebben tegenvallend
julliehebben tegenvallend
zijhebben tegenvallend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad tegenvallend
jijhad tegenvallend
hij/zij/hethad tegenvallend
wijhadden tegenvallend
julliehadden tegenvallend
zijhadden tegenvallend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal tegenvallen
jijzal tegenvallen
hij/zij/hetzal tegenvallen
wijzullen tegenvallen
julliezullen tegenvallen
zijzullen tegenvallen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal tegenvallend hebben
jijzal tegenvallend hebben
hij/zij/hetzal tegenvallend hebben
wijzullen tegenvallend hebben
julliezullen tegenvallend hebben
zijzullen tegenvallend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou tegenvallen
jijzou tegenvallen
hij/zij/hetzou tegenvallen
wijzouden tegenvallen
julliezouden tegenvallen
zijzouden tegenvallen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou tegenvallend hebben
jijzou tegenvallend hebben
hij/zij/hetzou tegenvallend hebben
wijzouden tegenvallend hebben
julliezouden tegenvallend hebben
zijzouden tegenvallend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het tegenvallen
jijbent aan het tegenvallen
hij/zij/hetis aan het tegenvallen
wijzijn aan het tegenvallen
julliezijn aan het tegenvallen
zijzijn aan het tegenvallen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het tegenvallen
jijwas aan het tegenvallen
hij/zij/hetwas aan het tegenvallen
wijwaren aan het tegenvallen
julliewaren aan het tegenvallen
zijwaren aan het tegenvallen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyiktegenvall
jijtegenvall
hij/zij/hettegenvall
wijtegenvall
jullietegenvall
zijtegenvall
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0