FlexiVerb

Dutch Verb

terugkeren

to return · to recur

takes zijnseparablestrongregular

Infinitive

terugkeren

Past Participle

terugkerend

Pres. Participle

terugkerend

Imperative

keer terug / keert terug

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikkeer terug
jijkeert terug
hij/zij/hetkeert terug
wijkeren terug
julliekeren terug
zijkeren terug

Verleden tijd

Simple Past

ikkeerde terug
jijkeerde terug
hij/zij/hetkeerde terug
wijkeerden terug
julliekeerden terug
zijkeerden terug

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

zijn (present) + past participle
ikben terugkerend
jijbent terugkerend
hij/zij/hetis terugkerend
wijzijn terugkerend
julliezijn terugkerend
zijzijn terugkerend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

zijn (past) + past participle
ikwas terugkerend
jijwas terugkerend
hij/zij/hetwas terugkerend
wijwaren terugkerend
julliewaren terugkerend
zijwaren terugkerend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal terugkeren
jijzal terugkeren
hij/zij/hetzal terugkeren
wijzullen terugkeren
julliezullen terugkeren
zijzullen terugkeren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + zijn
ikzal terugkerend zijn
jijzal terugkerend zijn
hij/zij/hetzal terugkerend zijn
wijzullen terugkerend zijn
julliezullen terugkerend zijn
zijzullen terugkerend zijn

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou terugkeren
jijzou terugkeren
hij/zij/hetzou terugkeren
wijzouden terugkeren
julliezouden terugkeren
zijzouden terugkeren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + zijn
ikzou terugkerend zijn
jijzou terugkerend zijn
hij/zij/hetzou terugkerend zijn
wijzouden terugkerend zijn
julliezouden terugkerend zijn
zijzouden terugkerend zijn

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het terugkeren
jijbent aan het terugkeren
hij/zij/hetis aan het terugkeren
wijzijn aan het terugkeren
julliezijn aan het terugkeren
zijzijn aan het terugkeren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het terugkeren
jijwas aan het terugkeren
hij/zij/hetwas aan het terugkeren
wijwaren aan het terugkeren
julliewaren aan het terugkeren
zijwaren aan het terugkeren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikterugker
jijterugker
hij/zij/hetterugker
wijterugker
jullieterugker
zijterugker

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0