FlexiVerb

Dutch Verb

toepassen

to apply, implement

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

toepassen

Past Participle

toepassend

Pres. Participle

toepassend

Imperative

pas toe / past toe

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikpas toe
jijpast toe
hij/zij/hetpast toe
wijpassen toe
julliepassen toe
zijpassen toe

Verleden tijd

Simple Past

ikpaste toe
jijpaste toe
hij/zij/hetpaste toe
wijpasten toe
julliepasten toe
zijpasten toe

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb toepassend
jijhebt toepassend
hij/zij/hetheeft toepassend
wijhebben toepassend
julliehebben toepassend
zijhebben toepassend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad toepassend
jijhad toepassend
hij/zij/hethad toepassend
wijhadden toepassend
julliehadden toepassend
zijhadden toepassend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal toepassen
jijzal toepassen
hij/zij/hetzal toepassen
wijzullen toepassen
julliezullen toepassen
zijzullen toepassen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal toepassend hebben
jijzal toepassend hebben
hij/zij/hetzal toepassend hebben
wijzullen toepassend hebben
julliezullen toepassend hebben
zijzullen toepassend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou toepassen
jijzou toepassen
hij/zij/hetzou toepassen
wijzouden toepassen
julliezouden toepassen
zijzouden toepassen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou toepassend hebben
jijzou toepassend hebben
hij/zij/hetzou toepassend hebben
wijzouden toepassend hebben
julliezouden toepassend hebben
zijzouden toepassend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het toepassen
jijbent aan het toepassen
hij/zij/hetis aan het toepassen
wijzijn aan het toepassen
julliezijn aan het toepassen
zijzijn aan het toepassen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het toepassen
jijwas aan het toepassen
hij/zij/hetwas aan het toepassen
wijwaren aan het toepassen
julliewaren aan het toepassen
zijwaren aan het toepassen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
iktoepass
jijtoepass
hij/zij/hettoepass
wijtoepass
jullietoepass
zijtoepass

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0