FlexiVerb

Dutch Verb

trappen

to step, to tread · to pedal · to kick

takes hebbenstrongregular

Infinitive

trappen

Past Participle

trappend

Pres. Participle

trappend

Imperative

trap / trapt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iktrap
jijtrapt
hij/zij/hettrapt
wijtrappen
jullietrappen
zijtrappen

Verleden tijd

Simple Past

iktrapte
jijtrapte
hij/zij/hettrapte
wijtrapten
jullietrapten
zijtrapten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb trappend
jijhebt trappend
hij/zij/hetheeft trappend
wijhebben trappend
julliehebben trappend
zijhebben trappend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad trappend
jijhad trappend
hij/zij/hethad trappend
wijhadden trappend
julliehadden trappend
zijhadden trappend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal trappen
jijzal trappen
hij/zij/hetzal trappen
wijzullen trappen
julliezullen trappen
zijzullen trappen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal trappend hebben
jijzal trappend hebben
hij/zij/hetzal trappend hebben
wijzullen trappend hebben
julliezullen trappend hebben
zijzullen trappend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou trappen
jijzou trappen
hij/zij/hetzou trappen
wijzouden trappen
julliezouden trappen
zijzouden trappen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou trappend hebben
jijzou trappend hebben
hij/zij/hetzou trappend hebben
wijzouden trappend hebben
julliezouden trappend hebben
zijzouden trappend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het trappen
jijbent aan het trappen
hij/zij/hetis aan het trappen
wijzijn aan het trappen
julliezijn aan het trappen
zijzijn aan het trappen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het trappen
jijwas aan het trappen
hij/zij/hetwas aan het trappen
wijwaren aan het trappen
julliewaren aan het trappen
zijwaren aan het trappen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
iktrapp
jijtrapp
hij/zij/hettrapp
wijtrapp
jullietrapp
zijtrapp

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0