FlexiVerb

Dutch Verb

twijfelen

to doubt

takes hebbenstrongregular

Infinitive

twijfelen

Past Participle

twijfelend

Pres. Participle

twijfelend

Imperative

twijfel / twijfelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iktwijfel
jijtwijfelt
hij/zij/hettwijfelt
wijtwijfelen
jullietwijfelen
zijtwijfelen

Verleden tijd

Simple Past

iktwijfelde
jijtwijfelde
hij/zij/hettwijfelde
wijtwijfelden
jullietwijfelden
zijtwijfelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb twijfelend
jijhebt twijfelend
hij/zij/hetheeft twijfelend
wijhebben twijfelend
julliehebben twijfelend
zijhebben twijfelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad twijfelend
jijhad twijfelend
hij/zij/hethad twijfelend
wijhadden twijfelend
julliehadden twijfelend
zijhadden twijfelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal twijfelen
jijzal twijfelen
hij/zij/hetzal twijfelen
wijzullen twijfelen
julliezullen twijfelen
zijzullen twijfelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal twijfelend hebben
jijzal twijfelend hebben
hij/zij/hetzal twijfelend hebben
wijzullen twijfelend hebben
julliezullen twijfelend hebben
zijzullen twijfelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou twijfelen
jijzou twijfelen
hij/zij/hetzou twijfelen
wijzouden twijfelen
julliezouden twijfelen
zijzouden twijfelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou twijfelend hebben
jijzou twijfelend hebben
hij/zij/hetzou twijfelend hebben
wijzouden twijfelend hebben
julliezouden twijfelend hebben
zijzouden twijfelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het twijfelen
jijbent aan het twijfelen
hij/zij/hetis aan het twijfelen
wijzijn aan het twijfelen
julliezijn aan het twijfelen
zijzijn aan het twijfelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het twijfelen
jijwas aan het twijfelen
hij/zij/hetwas aan het twijfelen
wijwaren aan het twijfelen
julliewaren aan het twijfelen
zijwaren aan het twijfelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
iktwijfel
jijtwijfel
hij/zij/hettwijfel
wijtwijfel
jullietwijfel
zijtwijfel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0