FlexiVerb

Dutch Verb

uitbroeden

to hatch out

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

uitbroeden

Past Participle

uitbroedend

Pres. Participle

uitbroedend

Imperative

broed uit / broedt uit

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbroed uit
jijbroedt uit
hij/zij/hetbroedt uit
wijbroeden uit
julliebroeden uit
zijbroeden uit

Verleden tijd

Simple Past

ikbroedde uit
jijbroedde uit
hij/zij/hetbroedde uit
wijbroedden uit
julliebroedden uit
zijbroedden uit

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb uitbroedend
jijhebt uitbroedend
hij/zij/hetheeft uitbroedend
wijhebben uitbroedend
julliehebben uitbroedend
zijhebben uitbroedend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad uitbroedend
jijhad uitbroedend
hij/zij/hethad uitbroedend
wijhadden uitbroedend
julliehadden uitbroedend
zijhadden uitbroedend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal uitbroeden
jijzal uitbroeden
hij/zij/hetzal uitbroeden
wijzullen uitbroeden
julliezullen uitbroeden
zijzullen uitbroeden

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal uitbroedend hebben
jijzal uitbroedend hebben
hij/zij/hetzal uitbroedend hebben
wijzullen uitbroedend hebben
julliezullen uitbroedend hebben
zijzullen uitbroedend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou uitbroeden
jijzou uitbroeden
hij/zij/hetzou uitbroeden
wijzouden uitbroeden
julliezouden uitbroeden
zijzouden uitbroeden

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou uitbroedend hebben
jijzou uitbroedend hebben
hij/zij/hetzou uitbroedend hebben
wijzouden uitbroedend hebben
julliezouden uitbroedend hebben
zijzouden uitbroedend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het uitbroeden
jijbent aan het uitbroeden
hij/zij/hetis aan het uitbroeden
wijzijn aan het uitbroeden
julliezijn aan het uitbroeden
zijzijn aan het uitbroeden

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het uitbroeden
jijwas aan het uitbroeden
hij/zij/hetwas aan het uitbroeden
wijwaren aan het uitbroeden
julliewaren aan het uitbroeden
zijwaren aan het uitbroeden
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikuitbroed
jijuitbroed
hij/zij/hetuitbroed
wijuitbroed
jullieuitbroed
zijuitbroed

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0