FlexiVerb

Dutch Verb

uiteenvallen

to disintegrate

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

uiteenvallen

Past Participle

uiteenvallend

Pres. Participle

uiteenvallend

Imperative

val uiteen / valt uiteen

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikval uiteen
jijvalt uiteen
hij/zij/hetvalt uiteen
wijvallen uiteen
jullievallen uiteen
zijvallen uiteen

Verleden tijd

Simple Past

ikviel uiteen
jijviel uiteen
hij/zij/hetviel uiteen
wijvielen uiteen
jullievielen uiteen
zijvielen uiteen

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb uiteenvallend
jijhebt uiteenvallend
hij/zij/hetheeft uiteenvallend
wijhebben uiteenvallend
julliehebben uiteenvallend
zijhebben uiteenvallend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad uiteenvallend
jijhad uiteenvallend
hij/zij/hethad uiteenvallend
wijhadden uiteenvallend
julliehadden uiteenvallend
zijhadden uiteenvallend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal uiteenvallen
jijzal uiteenvallen
hij/zij/hetzal uiteenvallen
wijzullen uiteenvallen
julliezullen uiteenvallen
zijzullen uiteenvallen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal uiteenvallend hebben
jijzal uiteenvallend hebben
hij/zij/hetzal uiteenvallend hebben
wijzullen uiteenvallend hebben
julliezullen uiteenvallend hebben
zijzullen uiteenvallend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou uiteenvallen
jijzou uiteenvallen
hij/zij/hetzou uiteenvallen
wijzouden uiteenvallen
julliezouden uiteenvallen
zijzouden uiteenvallen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou uiteenvallend hebben
jijzou uiteenvallend hebben
hij/zij/hetzou uiteenvallend hebben
wijzouden uiteenvallend hebben
julliezouden uiteenvallend hebben
zijzouden uiteenvallend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het uiteenvallen
jijbent aan het uiteenvallen
hij/zij/hetis aan het uiteenvallen
wijzijn aan het uiteenvallen
julliezijn aan het uiteenvallen
zijzijn aan het uiteenvallen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het uiteenvallen
jijwas aan het uiteenvallen
hij/zij/hetwas aan het uiteenvallen
wijwaren aan het uiteenvallen
julliewaren aan het uiteenvallen
zijwaren aan het uiteenvallen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikuiteenvall
jijuiteenvall
hij/zij/hetuiteenvall
wijuiteenvall
jullieuiteenvall
zijuiteenvall

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0