FlexiVerb

Dutch Verb

uitroepen

to cry out · to proclaim

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

uitroepen

Past Participle

uitroepend

Pres. Participle

uitroepend

Imperative

roep uit / roept uit

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikroep uit
jijroept uit
hij/zij/hetroept uit
wijroepen uit
jullieroepen uit
zijroepen uit

Verleden tijd

Simple Past

ikriep uit
jijriep uit
hij/zij/hetriep uit
wijriepen uit
jullieriepen uit
zijriepen uit

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb uitroepend
jijhebt uitroepend
hij/zij/hetheeft uitroepend
wijhebben uitroepend
julliehebben uitroepend
zijhebben uitroepend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad uitroepend
jijhad uitroepend
hij/zij/hethad uitroepend
wijhadden uitroepend
julliehadden uitroepend
zijhadden uitroepend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal uitroepen
jijzal uitroepen
hij/zij/hetzal uitroepen
wijzullen uitroepen
julliezullen uitroepen
zijzullen uitroepen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal uitroepend hebben
jijzal uitroepend hebben
hij/zij/hetzal uitroepend hebben
wijzullen uitroepend hebben
julliezullen uitroepend hebben
zijzullen uitroepend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou uitroepen
jijzou uitroepen
hij/zij/hetzou uitroepen
wijzouden uitroepen
julliezouden uitroepen
zijzouden uitroepen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou uitroepend hebben
jijzou uitroepend hebben
hij/zij/hetzou uitroepend hebben
wijzouden uitroepend hebben
julliezouden uitroepend hebben
zijzouden uitroepend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het uitroepen
jijbent aan het uitroepen
hij/zij/hetis aan het uitroepen
wijzijn aan het uitroepen
julliezijn aan het uitroepen
zijzijn aan het uitroepen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het uitroepen
jijwas aan het uitroepen
hij/zij/hetwas aan het uitroepen
wijwaren aan het uitroepen
julliewaren aan het uitroepen
zijwaren aan het uitroepen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikuitroep
jijuitroep
hij/zij/hetuitroep
wijuitroep
jullieuitroep
zijuitroep

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0