Dutch Verb
uitzenden
to send out, to deploy · to broadcast · to emit
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
uitzenden
Past Participle
uitzendend
Pres. Participle
uitzendend
Imperative
zend uit / zendt uit
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikzend uit
jijzendt uit
hij/zij/hetzendt uit
wijzenden uit
julliezenden uit
zijzenden uit
Verleden tijd
Simple Past
ikzond uit
jijzond uit
hij/zij/hetzond uit
wijzonden uit
julliezonden uit
zijzonden uit
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb uitzendend
jijhebt uitzendend
hij/zij/hetheeft uitzendend
wijhebben uitzendend
julliehebben uitzendend
zijhebben uitzendend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad uitzendend
jijhad uitzendend
hij/zij/hethad uitzendend
wijhadden uitzendend
julliehadden uitzendend
zijhadden uitzendend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal uitzenden
jijzal uitzenden
hij/zij/hetzal uitzenden
wijzullen uitzenden
julliezullen uitzenden
zijzullen uitzenden
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal uitzendend hebben
jijzal uitzendend hebben
hij/zij/hetzal uitzendend hebben
wijzullen uitzendend hebben
julliezullen uitzendend hebben
zijzullen uitzendend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou uitzenden
jijzou uitzenden
hij/zij/hetzou uitzenden
wijzouden uitzenden
julliezouden uitzenden
zijzouden uitzenden
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou uitzendend hebben
jijzou uitzendend hebben
hij/zij/hetzou uitzendend hebben
wijzouden uitzendend hebben
julliezouden uitzendend hebben
zijzouden uitzendend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het uitzenden
jijbent aan het uitzenden
hij/zij/hetis aan het uitzenden
wijzijn aan het uitzenden
julliezijn aan het uitzenden
zijzijn aan het uitzenden
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het uitzenden
jijwas aan het uitzenden
hij/zij/hetwas aan het uitzenden
wijwaren aan het uitzenden
julliewaren aan het uitzenden
zijwaren aan het uitzenden
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikuitzend
jijuitzend
hij/zij/hetuitzend
wijuitzend
jullieuitzend
zijuitzend
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0