FlexiVerb

Dutch Verb

vasten

to fast

takes hebbenstrongregular

Infinitive

vasten

Past Participle

vastend

Pres. Participle

vastend

Imperative

vast / vast

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikvast
jijvast
hij/zij/hetvast
wijvasten
jullievasten
zijvasten

Verleden tijd

Simple Past

ikvastte
jijvastte
hij/zij/hetvastte
wijvastten
jullievastten
zijvastten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb vastend
jijhebt vastend
hij/zij/hetheeft vastend
wijhebben vastend
julliehebben vastend
zijhebben vastend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad vastend
jijhad vastend
hij/zij/hethad vastend
wijhadden vastend
julliehadden vastend
zijhadden vastend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal vasten
jijzal vasten
hij/zij/hetzal vasten
wijzullen vasten
julliezullen vasten
zijzullen vasten

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal vastend hebben
jijzal vastend hebben
hij/zij/hetzal vastend hebben
wijzullen vastend hebben
julliezullen vastend hebben
zijzullen vastend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou vasten
jijzou vasten
hij/zij/hetzou vasten
wijzouden vasten
julliezouden vasten
zijzouden vasten

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou vastend hebben
jijzou vastend hebben
hij/zij/hetzou vastend hebben
wijzouden vastend hebben
julliezouden vastend hebben
zijzouden vastend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het vasten
jijbent aan het vasten
hij/zij/hetis aan het vasten
wijzijn aan het vasten
julliezijn aan het vasten
zijzijn aan het vasten

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het vasten
jijwas aan het vasten
hij/zij/hetwas aan het vasten
wijwaren aan het vasten
julliewaren aan het vasten
zijwaren aan het vasten
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvast
jijvast
hij/zij/hetvast
wijvast
jullievast
zijvast

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0