FlexiVerb

Dutch Verb

vastlopen

to run aground · to jam, to get stuck (to become congested or stop functioning) · to hang, to freeze (to stop functioning)

takes hebbenstrongregular

Infinitive

vastlopen

Past Participle

vastlopend

Pres. Participle

vastlopend

Imperative

loop vast / loopt vast

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikloop vast
jijloopt vast
hij/zij/hetloopt vast
wijlopen vast
jullielopen vast
zijlopen vast

Verleden tijd

Simple Past

ikliep vast
jijliep vast
hij/zij/hetliep vast
wijliepen vast
jullieliepen vast
zijliepen vast

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb vastlopend
jijhebt vastlopend
hij/zij/hetheeft vastlopend
wijhebben vastlopend
julliehebben vastlopend
zijhebben vastlopend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad vastlopend
jijhad vastlopend
hij/zij/hethad vastlopend
wijhadden vastlopend
julliehadden vastlopend
zijhadden vastlopend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal vastlopen
jijzal vastlopen
hij/zij/hetzal vastlopen
wijzullen vastlopen
julliezullen vastlopen
zijzullen vastlopen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal vastlopend hebben
jijzal vastlopend hebben
hij/zij/hetzal vastlopend hebben
wijzullen vastlopend hebben
julliezullen vastlopend hebben
zijzullen vastlopend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou vastlopen
jijzou vastlopen
hij/zij/hetzou vastlopen
wijzouden vastlopen
julliezouden vastlopen
zijzouden vastlopen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou vastlopend hebben
jijzou vastlopend hebben
hij/zij/hetzou vastlopend hebben
wijzouden vastlopend hebben
julliezouden vastlopend hebben
zijzouden vastlopend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het vastlopen
jijbent aan het vastlopen
hij/zij/hetis aan het vastlopen
wijzijn aan het vastlopen
julliezijn aan het vastlopen
zijzijn aan het vastlopen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het vastlopen
jijwas aan het vastlopen
hij/zij/hetwas aan het vastlopen
wijwaren aan het vastlopen
julliewaren aan het vastlopen
zijwaren aan het vastlopen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvastlop
jijvastlop
hij/zij/hetvastlop
wijvastlop
jullievastlop
zijvastlop

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0