FlexiVerb

Dutch Verb

vaststellen

to determine, to ascertain · to set, to establish

takes hebbenstrongregular

Infinitive

vaststellen

Past Participle

vaststellend

Pres. Participle

vaststellend

Imperative

stel vast / stelt vast

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikstel vast
jijstelt vast
hij/zij/hetstelt vast
wijstellen vast
julliestellen vast
zijstellen vast

Verleden tijd

Simple Past

ikstelde vast
jijstelde vast
hij/zij/hetstelde vast
wijstelden vast
julliestelden vast
zijstelden vast

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb vaststellend
jijhebt vaststellend
hij/zij/hetheeft vaststellend
wijhebben vaststellend
julliehebben vaststellend
zijhebben vaststellend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad vaststellend
jijhad vaststellend
hij/zij/hethad vaststellend
wijhadden vaststellend
julliehadden vaststellend
zijhadden vaststellend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal vaststellen
jijzal vaststellen
hij/zij/hetzal vaststellen
wijzullen vaststellen
julliezullen vaststellen
zijzullen vaststellen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal vaststellend hebben
jijzal vaststellend hebben
hij/zij/hetzal vaststellend hebben
wijzullen vaststellend hebben
julliezullen vaststellend hebben
zijzullen vaststellend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou vaststellen
jijzou vaststellen
hij/zij/hetzou vaststellen
wijzouden vaststellen
julliezouden vaststellen
zijzouden vaststellen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou vaststellend hebben
jijzou vaststellend hebben
hij/zij/hetzou vaststellend hebben
wijzouden vaststellend hebben
julliezouden vaststellend hebben
zijzouden vaststellend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het vaststellen
jijbent aan het vaststellen
hij/zij/hetis aan het vaststellen
wijzijn aan het vaststellen
julliezijn aan het vaststellen
zijzijn aan het vaststellen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het vaststellen
jijwas aan het vaststellen
hij/zij/hetwas aan het vaststellen
wijwaren aan het vaststellen
julliewaren aan het vaststellen
zijwaren aan het vaststellen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvaststell
jijvaststell
hij/zij/hetvaststell
wijvaststell
jullievaststell
zijvaststell

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0