Dutch Verb
verdenken
to suspect (that someone is guilty)
takes hebbenstrongregular
Infinitive
verdenken
Past Participle
verdenkend
Pres. Participle
verdenkend
Imperative
verdenk / verdenkt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikverdenk
jijverdenkt
hij/zij/hetverdenkt
wijverdenken
jullieverdenken
zijverdenken
Verleden tijd
Simple Past
ikverdacht
jijverdacht
hij/zij/hetverdacht
wijverdachten
jullieverdachten
zijverdachten
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb verdenkend
jijhebt verdenkend
hij/zij/hetheeft verdenkend
wijhebben verdenkend
julliehebben verdenkend
zijhebben verdenkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad verdenkend
jijhad verdenkend
hij/zij/hethad verdenkend
wijhadden verdenkend
julliehadden verdenkend
zijhadden verdenkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal verdenken
jijzal verdenken
hij/zij/hetzal verdenken
wijzullen verdenken
julliezullen verdenken
zijzullen verdenken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal verdenkend hebben
jijzal verdenkend hebben
hij/zij/hetzal verdenkend hebben
wijzullen verdenkend hebben
julliezullen verdenkend hebben
zijzullen verdenkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou verdenken
jijzou verdenken
hij/zij/hetzou verdenken
wijzouden verdenken
julliezouden verdenken
zijzouden verdenken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou verdenkend hebben
jijzou verdenkend hebben
hij/zij/hetzou verdenkend hebben
wijzouden verdenkend hebben
julliezouden verdenkend hebben
zijzouden verdenkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het verdenken
jijbent aan het verdenken
hij/zij/hetis aan het verdenken
wijzijn aan het verdenken
julliezijn aan het verdenken
zijzijn aan het verdenken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het verdenken
jijwas aan het verdenken
hij/zij/hetwas aan het verdenken
wijwaren aan het verdenken
julliewaren aan het verdenken
zijwaren aan het verdenken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikverdenk
jijverdenk
hij/zij/hetverdenk
wijverdenk
jullieverdenk
zijverdenk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0