FlexiVerb

Dutch Verb

verdiepen

to deepen · to study more thoroughly, to devote oneself (mentally) to

takes hebbenstrongregular

Infinitive

verdiepen

Past Participle

verdiepend

Pres. Participle

verdiepend

Imperative

verdiep / verdiept

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikverdiep
jijverdiept
hij/zij/hetverdiept
wijverdiepen
jullieverdiepen
zijverdiepen

Verleden tijd

Simple Past

ikverdiepte
jijverdiepte
hij/zij/hetverdiepte
wijverdiepten
jullieverdiepten
zijverdiepten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb verdiepend
jijhebt verdiepend
hij/zij/hetheeft verdiepend
wijhebben verdiepend
julliehebben verdiepend
zijhebben verdiepend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad verdiepend
jijhad verdiepend
hij/zij/hethad verdiepend
wijhadden verdiepend
julliehadden verdiepend
zijhadden verdiepend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal verdiepen
jijzal verdiepen
hij/zij/hetzal verdiepen
wijzullen verdiepen
julliezullen verdiepen
zijzullen verdiepen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal verdiepend hebben
jijzal verdiepend hebben
hij/zij/hetzal verdiepend hebben
wijzullen verdiepend hebben
julliezullen verdiepend hebben
zijzullen verdiepend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou verdiepen
jijzou verdiepen
hij/zij/hetzou verdiepen
wijzouden verdiepen
julliezouden verdiepen
zijzouden verdiepen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou verdiepend hebben
jijzou verdiepend hebben
hij/zij/hetzou verdiepend hebben
wijzouden verdiepend hebben
julliezouden verdiepend hebben
zijzouden verdiepend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het verdiepen
jijbent aan het verdiepen
hij/zij/hetis aan het verdiepen
wijzijn aan het verdiepen
julliezijn aan het verdiepen
zijzijn aan het verdiepen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het verdiepen
jijwas aan het verdiepen
hij/zij/hetwas aan het verdiepen
wijwaren aan het verdiepen
julliewaren aan het verdiepen
zijwaren aan het verdiepen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikverdiep
jijverdiep
hij/zij/hetverdiep
wijverdiep
jullieverdiep
zijverdiep

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0