Dutch Verb
vergelijken
to compare
takes hebbenstrongregular
Infinitive
vergelijken
Past Participle
vergelijkend
Pres. Participle
vergelijkend
Imperative
vergelijk / vergelijkt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikvergelijk
jijvergelijkt
hij/zij/hetvergelijkt
wijvergelijken
jullievergelijken
zijvergelijken
Verleden tijd
Simple Past
ikvergeleek
jijvergeleek
hij/zij/hetvergeleek
wijvergeleken
jullievergeleken
zijvergeleken
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb vergelijkend
jijhebt vergelijkend
hij/zij/hetheeft vergelijkend
wijhebben vergelijkend
julliehebben vergelijkend
zijhebben vergelijkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad vergelijkend
jijhad vergelijkend
hij/zij/hethad vergelijkend
wijhadden vergelijkend
julliehadden vergelijkend
zijhadden vergelijkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal vergelijken
jijzal vergelijken
hij/zij/hetzal vergelijken
wijzullen vergelijken
julliezullen vergelijken
zijzullen vergelijken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal vergelijkend hebben
jijzal vergelijkend hebben
hij/zij/hetzal vergelijkend hebben
wijzullen vergelijkend hebben
julliezullen vergelijkend hebben
zijzullen vergelijkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou vergelijken
jijzou vergelijken
hij/zij/hetzou vergelijken
wijzouden vergelijken
julliezouden vergelijken
zijzouden vergelijken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou vergelijkend hebben
jijzou vergelijkend hebben
hij/zij/hetzou vergelijkend hebben
wijzouden vergelijkend hebben
julliezouden vergelijkend hebben
zijzouden vergelijkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het vergelijken
jijbent aan het vergelijken
hij/zij/hetis aan het vergelijken
wijzijn aan het vergelijken
julliezijn aan het vergelijken
zijzijn aan het vergelijken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het vergelijken
jijwas aan het vergelijken
hij/zij/hetwas aan het vergelijken
wijwaren aan het vergelijken
julliewaren aan het vergelijken
zijwaren aan het vergelijken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikvergelijk
jijvergelijk
hij/zij/hetvergelijk
wijvergelijk
jullievergelijk
zijvergelijk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0