FlexiVerb

Dutch Verb

vergroten

to enlarge · to increase

takes hebbenstrongregular

Infinitive

vergroten

Past Participle

vergrotend

Pres. Participle

vergrotend

Imperative

vergroot / vergroot

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikvergroot
jijvergroot
hij/zij/hetvergroot
wijvergroten
jullievergroten
zijvergroten

Verleden tijd

Simple Past

ikvergrootte
jijvergrootte
hij/zij/hetvergrootte
wijvergrootten
jullievergrootten
zijvergrootten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb vergrotend
jijhebt vergrotend
hij/zij/hetheeft vergrotend
wijhebben vergrotend
julliehebben vergrotend
zijhebben vergrotend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad vergrotend
jijhad vergrotend
hij/zij/hethad vergrotend
wijhadden vergrotend
julliehadden vergrotend
zijhadden vergrotend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal vergroten
jijzal vergroten
hij/zij/hetzal vergroten
wijzullen vergroten
julliezullen vergroten
zijzullen vergroten

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal vergrotend hebben
jijzal vergrotend hebben
hij/zij/hetzal vergrotend hebben
wijzullen vergrotend hebben
julliezullen vergrotend hebben
zijzullen vergrotend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou vergroten
jijzou vergroten
hij/zij/hetzou vergroten
wijzouden vergroten
julliezouden vergroten
zijzouden vergroten

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou vergrotend hebben
jijzou vergrotend hebben
hij/zij/hetzou vergrotend hebben
wijzouden vergrotend hebben
julliezouden vergrotend hebben
zijzouden vergrotend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het vergroten
jijbent aan het vergroten
hij/zij/hetis aan het vergroten
wijzijn aan het vergroten
julliezijn aan het vergroten
zijzijn aan het vergroten

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het vergroten
jijwas aan het vergroten
hij/zij/hetwas aan het vergroten
wijwaren aan het vergroten
julliewaren aan het vergroten
zijwaren aan het vergroten
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvergrot
jijvergrot
hij/zij/hetvergrot
wijvergrot
jullievergrot
zijvergrot

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0