FlexiVerb

Dutch Verb

verhapstukken

to fit (worn-off footwear) with new heels · to mend · to deal with, handle, come to terms with

takes hebbenstrongregular

Infinitive

verhapstukken

Past Participle

verhapstukkend

Pres. Participle

verhapstukkend

Imperative

verhapstuk / verhapstukt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikverhapstuk
jijverhapstukt
hij/zij/hetverhapstukt
wijverhapstukken
jullieverhapstukken
zijverhapstukken

Verleden tijd

Simple Past

ikverhapstukte
jijverhapstukte
hij/zij/hetverhapstukte
wijverhapstukten
jullieverhapstukten
zijverhapstukten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb verhapstukkend
jijhebt verhapstukkend
hij/zij/hetheeft verhapstukkend
wijhebben verhapstukkend
julliehebben verhapstukkend
zijhebben verhapstukkend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad verhapstukkend
jijhad verhapstukkend
hij/zij/hethad verhapstukkend
wijhadden verhapstukkend
julliehadden verhapstukkend
zijhadden verhapstukkend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal verhapstukken
jijzal verhapstukken
hij/zij/hetzal verhapstukken
wijzullen verhapstukken
julliezullen verhapstukken
zijzullen verhapstukken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal verhapstukkend hebben
jijzal verhapstukkend hebben
hij/zij/hetzal verhapstukkend hebben
wijzullen verhapstukkend hebben
julliezullen verhapstukkend hebben
zijzullen verhapstukkend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou verhapstukken
jijzou verhapstukken
hij/zij/hetzou verhapstukken
wijzouden verhapstukken
julliezouden verhapstukken
zijzouden verhapstukken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou verhapstukkend hebben
jijzou verhapstukkend hebben
hij/zij/hetzou verhapstukkend hebben
wijzouden verhapstukkend hebben
julliezouden verhapstukkend hebben
zijzouden verhapstukkend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het verhapstukken
jijbent aan het verhapstukken
hij/zij/hetis aan het verhapstukken
wijzijn aan het verhapstukken
julliezijn aan het verhapstukken
zijzijn aan het verhapstukken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het verhapstukken
jijwas aan het verhapstukken
hij/zij/hetwas aan het verhapstukken
wijwaren aan het verhapstukken
julliewaren aan het verhapstukken
zijwaren aan het verhapstukken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikverhapstukk
jijverhapstukk
hij/zij/hetverhapstukk
wijverhapstukk
jullieverhapstukk
zijverhapstukk

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0