Dutch Verb
verhongeren
to starve
takes hebbenstrongregular
Infinitive
verhongeren
Past Participle
verhongerend
Pres. Participle
verhongerend
Imperative
verhonger / verhongert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikverhonger
jijverhongert
hij/zij/hetverhongert
wijverhongeren
jullieverhongeren
zijverhongeren
Verleden tijd
Simple Past
ikverhongerde
jijverhongerde
hij/zij/hetverhongerde
wijverhongerden
jullieverhongerden
zijverhongerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb verhongerend
jijhebt verhongerend
hij/zij/hetheeft verhongerend
wijhebben verhongerend
julliehebben verhongerend
zijhebben verhongerend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad verhongerend
jijhad verhongerend
hij/zij/hethad verhongerend
wijhadden verhongerend
julliehadden verhongerend
zijhadden verhongerend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal verhongeren
jijzal verhongeren
hij/zij/hetzal verhongeren
wijzullen verhongeren
julliezullen verhongeren
zijzullen verhongeren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal verhongerend hebben
jijzal verhongerend hebben
hij/zij/hetzal verhongerend hebben
wijzullen verhongerend hebben
julliezullen verhongerend hebben
zijzullen verhongerend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou verhongeren
jijzou verhongeren
hij/zij/hetzou verhongeren
wijzouden verhongeren
julliezouden verhongeren
zijzouden verhongeren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou verhongerend hebben
jijzou verhongerend hebben
hij/zij/hetzou verhongerend hebben
wijzouden verhongerend hebben
julliezouden verhongerend hebben
zijzouden verhongerend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het verhongeren
jijbent aan het verhongeren
hij/zij/hetis aan het verhongeren
wijzijn aan het verhongeren
julliezijn aan het verhongeren
zijzijn aan het verhongeren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het verhongeren
jijwas aan het verhongeren
hij/zij/hetwas aan het verhongeren
wijwaren aan het verhongeren
julliewaren aan het verhongeren
zijwaren aan het verhongeren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikverhonger
jijverhonger
hij/zij/hetverhonger
wijverhonger
jullieverhonger
zijverhonger
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0