Dutch Verb
verhoren
to interrogate
takes hebbenstrongregular
Infinitive
verhoren
Past Participle
verhorend
Pres. Participle
verhorend
Imperative
verhoor / verhoort
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikverhoor
jijverhoort
hij/zij/hetverhoort
wijverhoren
jullieverhoren
zijverhoren
Verleden tijd
Simple Past
ikverhoorde
jijverhoorde
hij/zij/hetverhoorde
wijverhoorden
jullieverhoorden
zijverhoorden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb verhorend
jijhebt verhorend
hij/zij/hetheeft verhorend
wijhebben verhorend
julliehebben verhorend
zijhebben verhorend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad verhorend
jijhad verhorend
hij/zij/hethad verhorend
wijhadden verhorend
julliehadden verhorend
zijhadden verhorend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal verhoren
jijzal verhoren
hij/zij/hetzal verhoren
wijzullen verhoren
julliezullen verhoren
zijzullen verhoren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal verhorend hebben
jijzal verhorend hebben
hij/zij/hetzal verhorend hebben
wijzullen verhorend hebben
julliezullen verhorend hebben
zijzullen verhorend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou verhoren
jijzou verhoren
hij/zij/hetzou verhoren
wijzouden verhoren
julliezouden verhoren
zijzouden verhoren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou verhorend hebben
jijzou verhorend hebben
hij/zij/hetzou verhorend hebben
wijzouden verhorend hebben
julliezouden verhorend hebben
zijzouden verhorend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het verhoren
jijbent aan het verhoren
hij/zij/hetis aan het verhoren
wijzijn aan het verhoren
julliezijn aan het verhoren
zijzijn aan het verhoren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het verhoren
jijwas aan het verhoren
hij/zij/hetwas aan het verhoren
wijwaren aan het verhoren
julliewaren aan het verhoren
zijwaren aan het verhoren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikverhor
jijverhor
hij/zij/hetverhor
wijverhor
jullieverhor
zijverhor
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0