FlexiVerb

Dutch Verb

verjagen

to drive off

takes hebbenstrongregular

Infinitive

verjagen

Past Participle

verjagend

Pres. Participle

verjagend

Imperative

verjaag / verjaagt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikverjaag
jijverjaagt
hij/zij/hetverjaagt
wijverjagen
jullieverjagen
zijverjagen

Verleden tijd

Simple Past

ikverjoeg
jijverjoeg
hij/zij/hetverjoeg
wijverjoegen
jullieverjoegen
zijverjoegen

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb verjagend
jijhebt verjagend
hij/zij/hetheeft verjagend
wijhebben verjagend
julliehebben verjagend
zijhebben verjagend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad verjagend
jijhad verjagend
hij/zij/hethad verjagend
wijhadden verjagend
julliehadden verjagend
zijhadden verjagend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal verjagen
jijzal verjagen
hij/zij/hetzal verjagen
wijzullen verjagen
julliezullen verjagen
zijzullen verjagen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal verjagend hebben
jijzal verjagend hebben
hij/zij/hetzal verjagend hebben
wijzullen verjagend hebben
julliezullen verjagend hebben
zijzullen verjagend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou verjagen
jijzou verjagen
hij/zij/hetzou verjagen
wijzouden verjagen
julliezouden verjagen
zijzouden verjagen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou verjagend hebben
jijzou verjagend hebben
hij/zij/hetzou verjagend hebben
wijzouden verjagend hebben
julliezouden verjagend hebben
zijzouden verjagend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het verjagen
jijbent aan het verjagen
hij/zij/hetis aan het verjagen
wijzijn aan het verjagen
julliezijn aan het verjagen
zijzijn aan het verjagen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het verjagen
jijwas aan het verjagen
hij/zij/hetwas aan het verjagen
wijwaren aan het verjagen
julliewaren aan het verjagen
zijwaren aan het verjagen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikverjag
jijverjag
hij/zij/hetverjag
wijverjag
jullieverjag
zijverjag

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0