Dutch Verb
verkeren
to find oneself (e.g. in a situation) · to be found, be located · to handle, get along with
takes hebbenstrongregular
Infinitive
verkeren
Past Participle
verkerend
Pres. Participle
verkerend
Imperative
verkeer / verkeert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikverkeer
jijverkeert
hij/zij/hetverkeert
wijverkeren
jullieverkeren
zijverkeren
Verleden tijd
Simple Past
ikverkeerde
jijverkeerde
hij/zij/hetverkeerde
wijverkeerden
jullieverkeerden
zijverkeerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb verkerend
jijhebt verkerend
hij/zij/hetheeft verkerend
wijhebben verkerend
julliehebben verkerend
zijhebben verkerend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad verkerend
jijhad verkerend
hij/zij/hethad verkerend
wijhadden verkerend
julliehadden verkerend
zijhadden verkerend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal verkeren
jijzal verkeren
hij/zij/hetzal verkeren
wijzullen verkeren
julliezullen verkeren
zijzullen verkeren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal verkerend hebben
jijzal verkerend hebben
hij/zij/hetzal verkerend hebben
wijzullen verkerend hebben
julliezullen verkerend hebben
zijzullen verkerend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou verkeren
jijzou verkeren
hij/zij/hetzou verkeren
wijzouden verkeren
julliezouden verkeren
zijzouden verkeren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou verkerend hebben
jijzou verkerend hebben
hij/zij/hetzou verkerend hebben
wijzouden verkerend hebben
julliezouden verkerend hebben
zijzouden verkerend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het verkeren
jijbent aan het verkeren
hij/zij/hetis aan het verkeren
wijzijn aan het verkeren
julliezijn aan het verkeren
zijzijn aan het verkeren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het verkeren
jijwas aan het verkeren
hij/zij/hetwas aan het verkeren
wijwaren aan het verkeren
julliewaren aan het verkeren
zijwaren aan het verkeren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikverker
jijverker
hij/zij/hetverker
wijverker
jullieverker
zijverker
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0