FlexiVerb

Dutch Verb

verlossen

to free, liberate · to redeem · to attend the birth of an infant and provide postpartum care to the mother and her infant

takes hebbenstrongregular

Infinitive

verlossen

Past Participle

verlossend

Pres. Participle

verlossend

Imperative

verlos / verlost

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikverlos
jijverlost
hij/zij/hetverlost
wijverlossen
jullieverlossen
zijverlossen

Verleden tijd

Simple Past

ikverloste
jijverloste
hij/zij/hetverloste
wijverlosten
jullieverlosten
zijverlosten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb verlossend
jijhebt verlossend
hij/zij/hetheeft verlossend
wijhebben verlossend
julliehebben verlossend
zijhebben verlossend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad verlossend
jijhad verlossend
hij/zij/hethad verlossend
wijhadden verlossend
julliehadden verlossend
zijhadden verlossend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal verlossen
jijzal verlossen
hij/zij/hetzal verlossen
wijzullen verlossen
julliezullen verlossen
zijzullen verlossen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal verlossend hebben
jijzal verlossend hebben
hij/zij/hetzal verlossend hebben
wijzullen verlossend hebben
julliezullen verlossend hebben
zijzullen verlossend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou verlossen
jijzou verlossen
hij/zij/hetzou verlossen
wijzouden verlossen
julliezouden verlossen
zijzouden verlossen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou verlossend hebben
jijzou verlossend hebben
hij/zij/hetzou verlossend hebben
wijzouden verlossend hebben
julliezouden verlossend hebben
zijzouden verlossend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het verlossen
jijbent aan het verlossen
hij/zij/hetis aan het verlossen
wijzijn aan het verlossen
julliezijn aan het verlossen
zijzijn aan het verlossen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het verlossen
jijwas aan het verlossen
hij/zij/hetwas aan het verlossen
wijwaren aan het verlossen
julliewaren aan het verlossen
zijwaren aan het verlossen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikverloss
jijverloss
hij/zij/hetverloss
wijverloss
jullieverloss
zijverloss

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0