FlexiVerb

Dutch Verb

verloven

to commit to an obligation · to conclude an engagement · to undertake an engagement, get engaged

takes hebbenstrongregular

Infinitive

verloven

Past Participle

verlovend

Pres. Participle

verlovend

Imperative

verloof / verlooft

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikverloof
jijverlooft
hij/zij/hetverlooft
wijverloven
jullieverloven
zijverloven

Verleden tijd

Simple Past

ikverloofde
jijverloofde
hij/zij/hetverloofde
wijverloofden
jullieverloofden
zijverloofden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb verlovend
jijhebt verlovend
hij/zij/hetheeft verlovend
wijhebben verlovend
julliehebben verlovend
zijhebben verlovend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad verlovend
jijhad verlovend
hij/zij/hethad verlovend
wijhadden verlovend
julliehadden verlovend
zijhadden verlovend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal verloven
jijzal verloven
hij/zij/hetzal verloven
wijzullen verloven
julliezullen verloven
zijzullen verloven

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal verlovend hebben
jijzal verlovend hebben
hij/zij/hetzal verlovend hebben
wijzullen verlovend hebben
julliezullen verlovend hebben
zijzullen verlovend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou verloven
jijzou verloven
hij/zij/hetzou verloven
wijzouden verloven
julliezouden verloven
zijzouden verloven

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou verlovend hebben
jijzou verlovend hebben
hij/zij/hetzou verlovend hebben
wijzouden verlovend hebben
julliezouden verlovend hebben
zijzouden verlovend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het verloven
jijbent aan het verloven
hij/zij/hetis aan het verloven
wijzijn aan het verloven
julliezijn aan het verloven
zijzijn aan het verloven

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het verloven
jijwas aan het verloven
hij/zij/hetwas aan het verloven
wijwaren aan het verloven
julliewaren aan het verloven
zijwaren aan het verloven
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikverlov
jijverlov
hij/zij/hetverlov
wijverlov
jullieverlov
zijverlov

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0