FlexiVerb

Dutch Verb

vermogen

to be able to do, to be able to achieve

takes hebbenstrongregular

Infinitive

vermogen

Past Participle

vermogend

Pres. Participle

vermogend

Imperative

vermag / vermoogt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikvermag
jijvermag
hij/zij/hetvermag
wijvermogen
jullievermogen
zijvermogen

Verleden tijd

Simple Past

ikvermocht
jijvermocht
hij/zij/hetvermocht
wijvermochten
jullievermochten
zijvermochten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb vermogend
jijhebt vermogend
hij/zij/hetheeft vermogend
wijhebben vermogend
julliehebben vermogend
zijhebben vermogend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad vermogend
jijhad vermogend
hij/zij/hethad vermogend
wijhadden vermogend
julliehadden vermogend
zijhadden vermogend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal vermogen
jijzal vermogen
hij/zij/hetzal vermogen
wijzullen vermogen
julliezullen vermogen
zijzullen vermogen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal vermogend hebben
jijzal vermogend hebben
hij/zij/hetzal vermogend hebben
wijzullen vermogend hebben
julliezullen vermogend hebben
zijzullen vermogend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou vermogen
jijzou vermogen
hij/zij/hetzou vermogen
wijzouden vermogen
julliezouden vermogen
zijzouden vermogen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou vermogend hebben
jijzou vermogend hebben
hij/zij/hetzou vermogend hebben
wijzouden vermogend hebben
julliezouden vermogend hebben
zijzouden vermogend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het vermogen
jijbent aan het vermogen
hij/zij/hetis aan het vermogen
wijzijn aan het vermogen
julliezijn aan het vermogen
zijzijn aan het vermogen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het vermogen
jijwas aan het vermogen
hij/zij/hetwas aan het vermogen
wijwaren aan het vermogen
julliewaren aan het vermogen
zijwaren aan het vermogen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvermog
jijvermog
hij/zij/hetvermog
wijvermog
jullievermog
zijvermog

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0