FlexiVerb

Dutch Verb

verrijken

to enrich

takes hebbenstrongregular

Infinitive

verrijken

Past Participle

verrijkend

Pres. Participle

verrijkend

Imperative

verrijk / verrijkt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikverrijk
jijverrijkt
hij/zij/hetverrijkt
wijverrijken
jullieverrijken
zijverrijken

Verleden tijd

Simple Past

ikverrijkte
jijverrijkte
hij/zij/hetverrijkte
wijverrijkten
jullieverrijkten
zijverrijkten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb verrijkend
jijhebt verrijkend
hij/zij/hetheeft verrijkend
wijhebben verrijkend
julliehebben verrijkend
zijhebben verrijkend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad verrijkend
jijhad verrijkend
hij/zij/hethad verrijkend
wijhadden verrijkend
julliehadden verrijkend
zijhadden verrijkend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal verrijken
jijzal verrijken
hij/zij/hetzal verrijken
wijzullen verrijken
julliezullen verrijken
zijzullen verrijken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal verrijkend hebben
jijzal verrijkend hebben
hij/zij/hetzal verrijkend hebben
wijzullen verrijkend hebben
julliezullen verrijkend hebben
zijzullen verrijkend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou verrijken
jijzou verrijken
hij/zij/hetzou verrijken
wijzouden verrijken
julliezouden verrijken
zijzouden verrijken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou verrijkend hebben
jijzou verrijkend hebben
hij/zij/hetzou verrijkend hebben
wijzouden verrijkend hebben
julliezouden verrijkend hebben
zijzouden verrijkend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het verrijken
jijbent aan het verrijken
hij/zij/hetis aan het verrijken
wijzijn aan het verrijken
julliezijn aan het verrijken
zijzijn aan het verrijken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het verrijken
jijwas aan het verrijken
hij/zij/hetwas aan het verrijken
wijwaren aan het verrijken
julliewaren aan het verrijken
zijwaren aan het verrijken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikverrijk
jijverrijk
hij/zij/hetverrijk
wijverrijk
jullieverrijk
zijverrijk

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0