FlexiVerb

Dutch Verb

verslaan

to defeat · to report on, cover · to destroy, to fell · to beat to death; to kill

takes hebbenstrongregular

Infinitive

verslaan

Past Participle

verslaand

Pres. Participle

verslaand

Imperative

versla / verslaat

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikversla
jijverslaat
hij/zij/hetverslaat
wijverslaan
jullieverslaan
zijverslaan

Verleden tijd

Simple Past

ikversloeg
jijversloeg
hij/zij/hetversloeg
wijversloegen
jullieversloegen
zijversloegen

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb verslaand
jijhebt verslaand
hij/zij/hetheeft verslaand
wijhebben verslaand
julliehebben verslaand
zijhebben verslaand

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad verslaand
jijhad verslaand
hij/zij/hethad verslaand
wijhadden verslaand
julliehadden verslaand
zijhadden verslaand

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal verslaan
jijzal verslaan
hij/zij/hetzal verslaan
wijzullen verslaan
julliezullen verslaan
zijzullen verslaan

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal verslaand hebben
jijzal verslaand hebben
hij/zij/hetzal verslaand hebben
wijzullen verslaand hebben
julliezullen verslaand hebben
zijzullen verslaand hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou verslaan
jijzou verslaan
hij/zij/hetzou verslaan
wijzouden verslaan
julliezouden verslaan
zijzouden verslaan

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou verslaand hebben
jijzou verslaand hebben
hij/zij/hetzou verslaand hebben
wijzouden verslaand hebben
julliezouden verslaand hebben
zijzouden verslaand hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het verslaan
jijbent aan het verslaan
hij/zij/hetis aan het verslaan
wijzijn aan het verslaan
julliezijn aan het verslaan
zijzijn aan het verslaan

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het verslaan
jijwas aan het verslaan
hij/zij/hetwas aan het verslaan
wijwaren aan het verslaan
julliewaren aan het verslaan
zijwaren aan het verslaan
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikverslaa
jijverslaa
hij/zij/hetverslaa
wijverslaa
jullieverslaa
zijverslaa

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0