FlexiVerb

Dutch Verb

verstoppen

to hide, conceal. Also reflexive · to clog

takes hebbenstrongregular

Infinitive

verstoppen

Past Participle

verstoppend

Pres. Participle

verstoppend

Imperative

verstop / verstopt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikverstop
jijverstopt
hij/zij/hetverstopt
wijverstoppen
jullieverstoppen
zijverstoppen

Verleden tijd

Simple Past

ikverstopte
jijverstopte
hij/zij/hetverstopte
wijverstopten
jullieverstopten
zijverstopten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb verstoppend
jijhebt verstoppend
hij/zij/hetheeft verstoppend
wijhebben verstoppend
julliehebben verstoppend
zijhebben verstoppend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad verstoppend
jijhad verstoppend
hij/zij/hethad verstoppend
wijhadden verstoppend
julliehadden verstoppend
zijhadden verstoppend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal verstoppen
jijzal verstoppen
hij/zij/hetzal verstoppen
wijzullen verstoppen
julliezullen verstoppen
zijzullen verstoppen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal verstoppend hebben
jijzal verstoppend hebben
hij/zij/hetzal verstoppend hebben
wijzullen verstoppend hebben
julliezullen verstoppend hebben
zijzullen verstoppend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou verstoppen
jijzou verstoppen
hij/zij/hetzou verstoppen
wijzouden verstoppen
julliezouden verstoppen
zijzouden verstoppen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou verstoppend hebben
jijzou verstoppend hebben
hij/zij/hetzou verstoppend hebben
wijzouden verstoppend hebben
julliezouden verstoppend hebben
zijzouden verstoppend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het verstoppen
jijbent aan het verstoppen
hij/zij/hetis aan het verstoppen
wijzijn aan het verstoppen
julliezijn aan het verstoppen
zijzijn aan het verstoppen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het verstoppen
jijwas aan het verstoppen
hij/zij/hetwas aan het verstoppen
wijwaren aan het verstoppen
julliewaren aan het verstoppen
zijwaren aan het verstoppen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikverstopp
jijverstopp
hij/zij/hetverstopp
wijverstopp
jullieverstopp
zijverstopp

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0