Dutch Verb
vervalsen
to falsify
takes hebbenstrongregular
Infinitive
vervalsen
Past Participle
vervalsend
Pres. Participle
vervalsend
Imperative
vervals / vervalst
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikvervals
jijvervalst
hij/zij/hetvervalst
wijvervalsen
jullievervalsen
zijvervalsen
Verleden tijd
Simple Past
ikvervalste
jijvervalste
hij/zij/hetvervalste
wijvervalsten
jullievervalsten
zijvervalsten
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb vervalsend
jijhebt vervalsend
hij/zij/hetheeft vervalsend
wijhebben vervalsend
julliehebben vervalsend
zijhebben vervalsend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad vervalsend
jijhad vervalsend
hij/zij/hethad vervalsend
wijhadden vervalsend
julliehadden vervalsend
zijhadden vervalsend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal vervalsen
jijzal vervalsen
hij/zij/hetzal vervalsen
wijzullen vervalsen
julliezullen vervalsen
zijzullen vervalsen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal vervalsend hebben
jijzal vervalsend hebben
hij/zij/hetzal vervalsend hebben
wijzullen vervalsend hebben
julliezullen vervalsend hebben
zijzullen vervalsend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou vervalsen
jijzou vervalsen
hij/zij/hetzou vervalsen
wijzouden vervalsen
julliezouden vervalsen
zijzouden vervalsen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou vervalsend hebben
jijzou vervalsend hebben
hij/zij/hetzou vervalsend hebben
wijzouden vervalsend hebben
julliezouden vervalsend hebben
zijzouden vervalsend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het vervalsen
jijbent aan het vervalsen
hij/zij/hetis aan het vervalsen
wijzijn aan het vervalsen
julliezijn aan het vervalsen
zijzijn aan het vervalsen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het vervalsen
jijwas aan het vervalsen
hij/zij/hetwas aan het vervalsen
wijwaren aan het vervalsen
julliewaren aan het vervalsen
zijwaren aan het vervalsen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikvervals
jijvervals
hij/zij/hetvervals
wijvervals
jullievervals
zijvervals
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0