Dutch Verb
verwelken
to wither, wilt
takes hebbenstrongregular
Infinitive
verwelken
Past Participle
verwelkend
Pres. Participle
verwelkend
Imperative
verwelk / verwelkt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikverwelk
jijverwelkt
hij/zij/hetverwelkt
wijverwelken
jullieverwelken
zijverwelken
Verleden tijd
Simple Past
ikverwelkte
jijverwelkte
hij/zij/hetverwelkte
wijverwelkten
jullieverwelkten
zijverwelkten
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb verwelkend
jijhebt verwelkend
hij/zij/hetheeft verwelkend
wijhebben verwelkend
julliehebben verwelkend
zijhebben verwelkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad verwelkend
jijhad verwelkend
hij/zij/hethad verwelkend
wijhadden verwelkend
julliehadden verwelkend
zijhadden verwelkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal verwelken
jijzal verwelken
hij/zij/hetzal verwelken
wijzullen verwelken
julliezullen verwelken
zijzullen verwelken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal verwelkend hebben
jijzal verwelkend hebben
hij/zij/hetzal verwelkend hebben
wijzullen verwelkend hebben
julliezullen verwelkend hebben
zijzullen verwelkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou verwelken
jijzou verwelken
hij/zij/hetzou verwelken
wijzouden verwelken
julliezouden verwelken
zijzouden verwelken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou verwelkend hebben
jijzou verwelkend hebben
hij/zij/hetzou verwelkend hebben
wijzouden verwelkend hebben
julliezouden verwelkend hebben
zijzouden verwelkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het verwelken
jijbent aan het verwelken
hij/zij/hetis aan het verwelken
wijzijn aan het verwelken
julliezijn aan het verwelken
zijzijn aan het verwelken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het verwelken
jijwas aan het verwelken
hij/zij/hetwas aan het verwelken
wijwaren aan het verwelken
julliewaren aan het verwelken
zijwaren aan het verwelken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikverwelk
jijverwelk
hij/zij/hetverwelk
wijverwelk
jullieverwelk
zijverwelk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0