Dutch Verb
verwikkelen
to involve, implicate
takes hebbenstrongregular
Infinitive
verwikkelen
Past Participle
verwikkelend
Pres. Participle
verwikkelend
Imperative
verwikkel / verwikkelt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikverwikkel
jijverwikkelt
hij/zij/hetverwikkelt
wijverwikkelen
jullieverwikkelen
zijverwikkelen
Verleden tijd
Simple Past
ikverwikkelde
jijverwikkelde
hij/zij/hetverwikkelde
wijverwikkelden
jullieverwikkelden
zijverwikkelden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb verwikkelend
jijhebt verwikkelend
hij/zij/hetheeft verwikkelend
wijhebben verwikkelend
julliehebben verwikkelend
zijhebben verwikkelend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad verwikkelend
jijhad verwikkelend
hij/zij/hethad verwikkelend
wijhadden verwikkelend
julliehadden verwikkelend
zijhadden verwikkelend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal verwikkelen
jijzal verwikkelen
hij/zij/hetzal verwikkelen
wijzullen verwikkelen
julliezullen verwikkelen
zijzullen verwikkelen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal verwikkelend hebben
jijzal verwikkelend hebben
hij/zij/hetzal verwikkelend hebben
wijzullen verwikkelend hebben
julliezullen verwikkelend hebben
zijzullen verwikkelend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou verwikkelen
jijzou verwikkelen
hij/zij/hetzou verwikkelen
wijzouden verwikkelen
julliezouden verwikkelen
zijzouden verwikkelen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou verwikkelend hebben
jijzou verwikkelend hebben
hij/zij/hetzou verwikkelend hebben
wijzouden verwikkelend hebben
julliezouden verwikkelend hebben
zijzouden verwikkelend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het verwikkelen
jijbent aan het verwikkelen
hij/zij/hetis aan het verwikkelen
wijzijn aan het verwikkelen
julliezijn aan het verwikkelen
zijzijn aan het verwikkelen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het verwikkelen
jijwas aan het verwikkelen
hij/zij/hetwas aan het verwikkelen
wijwaren aan het verwikkelen
julliewaren aan het verwikkelen
zijwaren aan het verwikkelen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikverwikkel
jijverwikkel
hij/zij/hetverwikkel
wijverwikkel
jullieverwikkel
zijverwikkel
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0