Dutch Verb
verzwakken
to weaken, to become weaker · to weaken, to make weaker
takes hebbenstrongregular
Infinitive
verzwakken
Past Participle
verzwakkend
Pres. Participle
verzwakkend
Imperative
verzwak / verzwakt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikverzwak
jijverzwakt
hij/zij/hetverzwakt
wijverzwakken
jullieverzwakken
zijverzwakken
Verleden tijd
Simple Past
ikverzwakte
jijverzwakte
hij/zij/hetverzwakte
wijverzwakten
jullieverzwakten
zijverzwakten
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb verzwakkend
jijhebt verzwakkend
hij/zij/hetheeft verzwakkend
wijhebben verzwakkend
julliehebben verzwakkend
zijhebben verzwakkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad verzwakkend
jijhad verzwakkend
hij/zij/hethad verzwakkend
wijhadden verzwakkend
julliehadden verzwakkend
zijhadden verzwakkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal verzwakken
jijzal verzwakken
hij/zij/hetzal verzwakken
wijzullen verzwakken
julliezullen verzwakken
zijzullen verzwakken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal verzwakkend hebben
jijzal verzwakkend hebben
hij/zij/hetzal verzwakkend hebben
wijzullen verzwakkend hebben
julliezullen verzwakkend hebben
zijzullen verzwakkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou verzwakken
jijzou verzwakken
hij/zij/hetzou verzwakken
wijzouden verzwakken
julliezouden verzwakken
zijzouden verzwakken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou verzwakkend hebben
jijzou verzwakkend hebben
hij/zij/hetzou verzwakkend hebben
wijzouden verzwakkend hebben
julliezouden verzwakkend hebben
zijzouden verzwakkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het verzwakken
jijbent aan het verzwakken
hij/zij/hetis aan het verzwakken
wijzijn aan het verzwakken
julliezijn aan het verzwakken
zijzijn aan het verzwakken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het verzwakken
jijwas aan het verzwakken
hij/zij/hetwas aan het verzwakken
wijwaren aan het verzwakken
julliewaren aan het verzwakken
zijwaren aan het verzwakken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikverzwakk
jijverzwakk
hij/zij/hetverzwakk
wijverzwakk
jullieverzwakk
zijverzwakk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0