FlexiVerb

Dutch Verb

vollopen

to fill up

takes hebbenstrongregular

Infinitive

vollopen

Past Participle

vollopend

Pres. Participle

vollopend

Imperative

loop vol / loopt vol

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikloop vol
jijloopt vol
hij/zij/hetloopt vol
wijlopen vol
jullielopen vol
zijlopen vol

Verleden tijd

Simple Past

ikliep vol
jijliep vol
hij/zij/hetliep vol
wijliepen vol
jullieliepen vol
zijliepen vol

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb vollopend
jijhebt vollopend
hij/zij/hetheeft vollopend
wijhebben vollopend
julliehebben vollopend
zijhebben vollopend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad vollopend
jijhad vollopend
hij/zij/hethad vollopend
wijhadden vollopend
julliehadden vollopend
zijhadden vollopend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal vollopen
jijzal vollopen
hij/zij/hetzal vollopen
wijzullen vollopen
julliezullen vollopen
zijzullen vollopen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal vollopend hebben
jijzal vollopend hebben
hij/zij/hetzal vollopend hebben
wijzullen vollopend hebben
julliezullen vollopend hebben
zijzullen vollopend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou vollopen
jijzou vollopen
hij/zij/hetzou vollopen
wijzouden vollopen
julliezouden vollopen
zijzouden vollopen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou vollopend hebben
jijzou vollopend hebben
hij/zij/hetzou vollopend hebben
wijzouden vollopend hebben
julliezouden vollopend hebben
zijzouden vollopend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het vollopen
jijbent aan het vollopen
hij/zij/hetis aan het vollopen
wijzijn aan het vollopen
julliezijn aan het vollopen
zijzijn aan het vollopen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het vollopen
jijwas aan het vollopen
hij/zij/hetwas aan het vollopen
wijwaren aan het vollopen
julliewaren aan het vollopen
zijwaren aan het vollopen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvollop
jijvollop
hij/zij/hetvollop
wijvollop
jullievollop
zijvollop

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0