FlexiVerb

Dutch Verb

voorafgaan

to precede

takes hebbenstrongregular

Infinitive

voorafgaan

Past Participle

voorafgaand

Pres. Participle

voorafgaand

Imperative

ga vooraf / gaat vooraf

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikga vooraf
jijgaat vooraf
hij/zij/hetgaat vooraf
wijgaan vooraf
julliegaan vooraf
zijgaan vooraf

Verleden tijd

Simple Past

ikging vooraf
jijging vooraf
hij/zij/hetging vooraf
wijgingen vooraf
julliegingen vooraf
zijgingen vooraf

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb voorafgaand
jijhebt voorafgaand
hij/zij/hetheeft voorafgaand
wijhebben voorafgaand
julliehebben voorafgaand
zijhebben voorafgaand

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad voorafgaand
jijhad voorafgaand
hij/zij/hethad voorafgaand
wijhadden voorafgaand
julliehadden voorafgaand
zijhadden voorafgaand

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal voorafgaan
jijzal voorafgaan
hij/zij/hetzal voorafgaan
wijzullen voorafgaan
julliezullen voorafgaan
zijzullen voorafgaan

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal voorafgaand hebben
jijzal voorafgaand hebben
hij/zij/hetzal voorafgaand hebben
wijzullen voorafgaand hebben
julliezullen voorafgaand hebben
zijzullen voorafgaand hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou voorafgaan
jijzou voorafgaan
hij/zij/hetzou voorafgaan
wijzouden voorafgaan
julliezouden voorafgaan
zijzouden voorafgaan

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou voorafgaand hebben
jijzou voorafgaand hebben
hij/zij/hetzou voorafgaand hebben
wijzouden voorafgaand hebben
julliezouden voorafgaand hebben
zijzouden voorafgaand hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het voorafgaan
jijbent aan het voorafgaan
hij/zij/hetis aan het voorafgaan
wijzijn aan het voorafgaan
julliezijn aan het voorafgaan
zijzijn aan het voorafgaan

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het voorafgaan
jijwas aan het voorafgaan
hij/zij/hetwas aan het voorafgaan
wijwaren aan het voorafgaan
julliewaren aan het voorafgaan
zijwaren aan het voorafgaan
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikvoorafgaa
jijvoorafgaa
hij/zij/hetvoorafgaa
wijvoorafgaa
jullievoorafgaa
zijvoorafgaa

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0