Dutch Verb
voordragen
to propose · to present, to recite
takes hebbenstrongregular
Infinitive
voordragen
Past Participle
voordragend
Pres. Participle
voordragend
Imperative
draag voor / draagt voor
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikdraag voor
jijdraagt voor
hij/zij/hetdraagt voor
wijdragen voor
julliedragen voor
zijdragen voor
Verleden tijd
Simple Past
ikdroeg voor
jijdroeg voor
hij/zij/hetdroeg voor
wijdroegen voor
julliedroegen voor
zijdroegen voor
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb voordragend
jijhebt voordragend
hij/zij/hetheeft voordragend
wijhebben voordragend
julliehebben voordragend
zijhebben voordragend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad voordragend
jijhad voordragend
hij/zij/hethad voordragend
wijhadden voordragend
julliehadden voordragend
zijhadden voordragend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal voordragen
jijzal voordragen
hij/zij/hetzal voordragen
wijzullen voordragen
julliezullen voordragen
zijzullen voordragen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal voordragend hebben
jijzal voordragend hebben
hij/zij/hetzal voordragend hebben
wijzullen voordragend hebben
julliezullen voordragend hebben
zijzullen voordragend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou voordragen
jijzou voordragen
hij/zij/hetzou voordragen
wijzouden voordragen
julliezouden voordragen
zijzouden voordragen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou voordragend hebben
jijzou voordragend hebben
hij/zij/hetzou voordragend hebben
wijzouden voordragend hebben
julliezouden voordragend hebben
zijzouden voordragend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het voordragen
jijbent aan het voordragen
hij/zij/hetis aan het voordragen
wijzijn aan het voordragen
julliezijn aan het voordragen
zijzijn aan het voordragen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het voordragen
jijwas aan het voordragen
hij/zij/hetwas aan het voordragen
wijwaren aan het voordragen
julliewaren aan het voordragen
zijwaren aan het voordragen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikvoordrag
jijvoordrag
hij/zij/hetvoordrag
wijvoordrag
jullievoordrag
zijvoordrag
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0